Sinds 1962 is er voor het bouwen en verbouwen van constructies in de meeste gevallen een vergunning nodig. Voor oude gebouwen en constructies is het vaak moeilijk om de vergunningstoestand te achterhalen.
Daarom werd in de wetgeving het “vermoeden van vergunning" in het leven geroepen, voor gebouwen en constructies gebouwd voor 22 april 1962 is er het “onweerlegbaar vermoeden van vergunning”.
Wat is een onweerlegbaar vermoeden van vergunning?
Een onweerlegbaar vermoeden van vergunning betekent dat een gebouw of constructie in Vlaanderen wettelijk als vergund geacht wordt als u bewijst dat het is opgericht vóór 22 april 1962. De overheid kan dit vermoeden niet meer ontkrachten, waardoor het gebouw volledige rechtszekerheid krijgt. De procedure voor het onweerlegbaar vermoeden van vergunning kan u hier terugvinden.
Wat is een vermoeden van vergunning?
Deze wetgeving voorziet dat oude gebouwen en constructies gebouwd tussen 22 april 1962 en 6 november 1977, maar waarvoor geen stedenbouwkundige vergunningen verleend werden, toch als vergund geacht kunnen worden beschouwd.
De toepassing van het vermoeden van vergunning is afhankelijk van de datum waarop het gebouw of de constructie werd opgericht.
Bewijsstukken
Om te kunnen bewijzen dat een constructie voor april 1962 gebouwd is zijn enkele bewijsstukken verplicht:
- Schattingsfiche
- Inplantingsplan met afmetingen (mag zelf getekend zijn)
- Recente foto’s van buitengevels
Deze 3 bewijsstukken zijn verplicht en het dossier wordt enkel behandeld als ze alle 3 aanwezig zijn.
Wanneer een constructie onweerlegbaar vergund geacht is, dan is het per definitie nog niet hoofdzakelijk vergund. Dit zijn 2 verschillende zaken en worden dan ook afzonderlijk beoordeeld.